Dankzij mijn fantasierijke huishoudelijke hulp leven mijn pluchen beesten elke vrijdag op. Als ik ‘s avonds thuiskom, tref ik de meest vreemde situaties aan. Alf in de wasmand, Mr. Ice als een acrobaat hangend aan mijn schildersezel, Fluffy dronken met een flesje bier. Verzin het, en ze doen het. Echt waar.
Lach mee om de dolkomische avonturen van Aap, Kikkor, Mr. Ice, Alf, Fluffy, Sniffy en Booby, Lapje en alle andere figuranten in casa de la Rubia. Waar het leven altijd één groot feest is (als ik niet thuis ben!?).
1 juni
Een zonnige dag maakt nog geen zomer, maar daar denken de heren in huis anders over. Klaar voor het zonnebad met deze rondslingerende handdoek. Ze hebben wel een klacht over de zonnebrand, die plakt zo aan hun haren.
25 mei
Dat krijg je ervan als je je gebruikte dozen niet meteen opruimt maar in de kamer laat staan. Dan gaat de hulp ermee aan de slag. Ze mag graag out of the box denken…
19 mei
Fluffy heeft kennelijk de vakantieverhalen over Egypte en Turkije aangehoord en is helemaal in de ban geraakt van deze culturen. Hij kan dan nog wel eens doordraven, tot groot vermaak van de anderen. De sufferd heeft niet door dat hij zijn kleedje helemaal niet naar het oosten gericht heeft, zoals het een goed islamiet betaamt.
11 mei:
4 mei:
Dacht net even een lekker broodje kaas onder de grill op te piepen.
Aan de gedachte alleen al kan ik duizend lyrische woorden typen.
Knapperig, warme, licht gesmolten kaas op een bedje van tomaat
met vers geurende basilicum, oregano en wat pittig sesamzaad.
Hmmm, ik kan niet wachten, toch maar geduld.
En de tijd even nuttig opgevuld.
Maar oei, oei, tien minuten later ruik ik verkoolde etenswaar.
En daar sta ik dan in mijn hemd… met mijn pain noir.
Op het goede leven, op alle mooie herinneringen, op onze voorliefde voor Griekenland, op je blauwe ogen…
Blauwe ogen, als van de zomer,
Als twee druppels water van de Egeïsche zee.
Blauwe ogen, ergens in de middag,
Ik herinner mij ze en huil.
Wie reist er nu in je ogen?
En wie ontwaakt er in je lichaam?
Blauwe ogen, gedurende jouw lange reis
Zal ik hier zijn, zal ik altijd in gedachten bij je zijn
Blauwe ogen, als van de herfst
Omwikkeld door ritme
Blauwe ogen, voor altijd
Zal mijn hart jullie zoeken.
(song by Yiannis Parios)

Het is goed toeven in casa de la Rubia. Maar misschien ben ik bevooroordeeld omdat ik er toevallig zelf woon. Toch is er in het huis iets vreemds aan de hand, iets heel vreemds. Er lijkt een soort geheimzinnige Bermuda driehoek rond te waren, die zich in plaats en tijd verplaatst. Laat het me uitleggen met enkele voorbeelden.
In mijn keukenkastje staan plastic bakjes in allerlei soorten en maten. En daar horen plastic dekseltjes bij. Maar als ik een bakje pak, lijkt altijd het bijpassende dekseltje te ontbreken, gek genoeg.
Als ik de was uit de wasmachine haal, lijkt de verdwijndriehoek ook hier toe te slaan. Er komen veel paren sokken uit de trommel, maar altijd mis ik wel een tweede sok. Ik heb inmiddels al een speciaal mandje voor de eensokken.
De mysterieuze plek, die de oorzaak lijkt te zijn van curieuze verdwijningen, vertoeft ook geregeld in de badkamer. Hoe vaak ik mijn favoriete lippenstift niet kwijt ben! En serieus, deze komt niet meer boven water, ook al heb ik alle zakken van mijn jassen en tassen grondig binnenstebuiten gekeerd.
In de casa de la Rubia ontvang ik graag gasten, maar ja, hier schuilt een reëel risico in. Want stel … dat ze per ongeluk in de onzichtbare Bermuda driehoek stappen…
Er is iets hopeloos mis met mij. Ik heb een tas gekocht. En heb voor deze lederen lap met hengsels ook nog diep in de buidel getast. ”Och”, zul je denken “maar dat is toch niets bijzonders? Typisch vrouwending?” Ja, maar ik ben geen typische vrouw. Ik houd helemaal niet van tassen en schoenen.
Ook winkelen is voor mij geen genoeglijk genot. Die verplaatsing van punt A naar punt B is al een nodeloze tijdsbesteding op zich. En dan moet je tussen A en B ook nog de nodige dralende mensen en kinderwagens ontwijken, alle verleidelijke etensgeuren weerstaan en vooral niet in de kauwgom, poep of mayonaiseklodders stappen.
Laatst echter moest ik wel boodschappen doen. Ik holde op een drafje door het winkelcentrum, schielijk een tassenstandaard passerend. En toen… toen gebeurde het. Eén blik en ik was verkocht. Liefde op het eerste gezicht. Ik hoorde mezelf plotsklaps tegen de winkeldame zeggen ”Doet u die maar”. Alsof het uit iemand anders mond kwam.
Ik wijt mijn gewijzigde koopgedrag aan de overgang. Deze hormonale desoriëntatie is inmiddels de schuld van bijna al mijn impulsieve en niet altijd even rationele handelen. Ik mag toch hopen dat deze merkwaardige grilligheid niet doorzet en ik straks ook nog Zalando-schoenen leuk ga vinden “Aaaahhhhhhhh!”
Over het algemeen ben ik geen voorstander van veel Engelse woorden in Nederlandstalige teksten. Ik heb geen buitensporige anglofobie en ben ook niet een extremistische taalpurist, maar het komt vaak zo reclameachtig en popie jopie over, hoewel dit laatste natuurlijk ook weer een populistisch woord is. Ingewikkeld. Maar goed, to the point.
Gebruik van Engelse werkwoorden in onze taal leidt vaak tot onfraaie vervoegingen. Als mensen al weten hoe ze Engelse werkwoorden in het Nederlands moeten vervoegen! De kracht van het Engels is echter sterker dan onze wil om foutloos te schrijven. Dus leest de moderne mens veel over powerdressen, poweren en powerpointen. Tot zover gaat het goed. Maar dan die vervoegingen.
Ik powerdres. Hij powerdreste. Jij hebt gepowerdrest.
Jij powert. Hij powerde. Zij heeft gepowerd.
Ik powerpoint. Hij powerpointte. Ik heb gepowerpoint.
Zo worden de werkwoorden vervoegd, volgens de Nederlandse taalregels. Maar ja, wie doet dit goed en sterker nog, hoe krachtig komen de uitdrukkingen dan eigenlijk nog over? Laat ik daar eens over gaan brainstormen tijdens mijn powernap.
En plotseling stuit ik weer op zo’n welluidend woord: het kattebelletje. Of kattenbelletje. Want het kan allebei. Hoewel?
In het Groene Boekje staat kattenbelletje in de betekenis ‘belletje van een kat’ en kattebelletje in de betekenis ‘kort briefje’, een notitie dus. Dat laatstgenoemde betekenis de tussen-n mist, komt niet omdat de n eraf gerinkeld is, maar het woord betreft een zgn. ‘vermeende samenstelling’.
U en ik begrijpen ook wel dat we geen notities op een rond, rinkelend belletje schrijven, dat ook nog eens toebehoort aan een ongeletterde kat. Het kattebelletje moet dan ook een andere herkomst hebben. Het lijkt op een samenstelling van de woorden ‘kat’ en ‘bel’, maar dat is het dus helemaal niet.
Naar alle waarschijnlijkheid is het woord ontstaan vanuit het Italiaans, waar een scartabello een ‘klein geschrift, traktaatje’ betekende. Scartabello werd cartebelle en kreeg al meteen verkleinde vormen als cartebelleken en cartebelletje. Dan is de stap naar kattebélletje nog maar klein. Pas veel later is de klemtoon verplaatst naar de eerste lettergreep, waardoor de homonymie* met de samenstelling kattenbelletje ‘belletje van een kat’ nagenoeg volledig werd. Gaat er bij u inmiddels een belletje rinkelen? Het kattebelletje is dus ontstaan uit een verkeerde interpretatie van taalgebruikers.
En hiermee eindig ik dit kattebelletje.
* Twee woorden zijn elkaars homoniemen als ze dezelfde uitspraak hebben en tot dezelfde woordsoort behoren, maar geheel verschillende betekenissen hebben.
De elektrische typemachine
Wat waren we modern, eind jaren ‘70. Die zwaar typende typemachine, waarbij je steeds pijnlijk met je vingers tussen de toetsen doorschoot, werd vervangen door een Olivetti elektrische letterbolletjestypemachine. Dit letterbolletje was een uitkomst. Zo kon je van bolletje en dus van lettertype wisselen. Gaaf!
Alle correspondentie ging in drievoud met dunne tussenblaadjes (blauw, roze of groen) en een carbonnetje ertussen. Een typefout werd hersteld met een blaadje witte kalk. Dat was vervelend op die roze en blauwe kopieën, dus je probeerde zo min mogelijk fouten te maken. Met een beetje pech kreeg je het zwarte carbon aan je handen en werd alles zwart wat je daarna aanraakte. Gelukkig werd het onhandige blaadje kalk als snel vervangen door een flesje Tippex. Handig!!
De telex
En dan die telexmachine. Nee, dat was pas drama. Eén woord verkeerd getypt kostte je behoorlijk veel moeite om te herstellen. De enorm lange, gestanste bandjes waren onhandig in gebruik. Gelukkig was er bij ons in het bedrijf een officiële ‘Typekamer’ waar dames de hele dag niets anders deden dan stukken overtypen en telexen. Het was er soms een geratel van jewelste.
De fax
In 1983 kwam het eerste faxapparaat bij ons op kantoor. Als kinderen zo blij waren wij. Snapten niet dat het mogelijk was dat je een document op de glasplaat legde en dat deze na slechts VIER minuten bij het Ministerie VROM aankwam. Wij tekenden verheugd een koe op een stuk papier en faxten deze giebelend naar het VROM. En jawel hoor, tien minuten later belde de medewerkster aldaar bulderend van het lachen om de tekening. Oké, was deze echt aangekomen dan???
De computer
Het moest niet gekker worden, maar dat werd het wel. Er kwamen computers op onze kamer!! Het systeem was niet te vergelijken met Windows Office, maar we konden al teksten op onze eigen pc verwerken. We werkten met het Unix-systeem. De ‘server’ was een grote ruimte met torenhoge apparatuur. Zeer geavanceerd. Voor die tijd.
Met Unix typte je platte tekst en moest je alle codes kennen zoals .pn (nieuwe pagina) en .al (nieuwe alinea). Het scherm was zwart met witte letters, best vermoeiend. Al snel kwamen de eerste versies van Word Perfect op de markt, gelukkig, want al die codes typen was maar niets. Ook was je met WP niet meer zo snel je hele tekst kwijt als je een verkeerde handeling had verricht. Ja, met Word Perfect werd je leven een stuk aangenamer!
Wat een flop
Digitaal archiveren deed je op 5,25 inch floppies en later met de kleinere harde 3,5 diskettes. Daarmee kon je wel 720 kB opslaan. Wow! Uiteraard printte je alles uit en bewaarde je de documenten in zwarte ordners, want een paperless office? Daar had je nog nooit van gehoord…
Gruwelwoorden. Je kent ze wel. Van die woorden waarvan je de rillingen krijgt. Helaas kom je gruwelwoorden regelmatig tegen. In de krant, op het journaal, via social media. Kader Abdolah heeft voorbeelden te over: http://www.trouw.nl/tr/nl/4328/Opinie/article/detail/3099500/2011/12/31/Alleen-de-mooie-woorden-blijven.dhtml
Neem nu het woord ‘ontsecretaressen’ dat her en der opduikt. Bedacht door een intelligente vrouw die voor de term ’ontsecretaressen’ kiest om aan te geven dat het vak verandert en meegaat met de tijd. Ja, er zit een hele filosofie achter. Het is een groeiende beweging onder secretaresses die zien aankomen wat Het Nieuwe Werken met de bestaande verouderde organisatiestructuren gaat doen. Door te ontsecretaressen wachten ze niet af totdat e.e.a. door een ander wordt bedacht, maar gaan ze zelf actief op zoek naar een toekomstige rol.
Ont = niet, af. Het woord betekent ‘secretaresse af’. Wat een nieuwerwets geklets. Gaan we dan ook ‘ontdirecteuren’? De rol van de hedendaagse directeur is namelijk allang niet meer wat deze was en zij zijn continu op zoek naar nieuwe structuren. Zien Het Nieuwe Werken ook aankomen. En gaan we ‘ontkokken’? De kok van vandaag de dag creëert culinaire lekkernijen in plaats van dat hij gerechten bereidt. Het traditionele kookboek biedt hem weinig soelaas, laat staan oude kookstructuren.
Behalve dat de term ‘ontsecretaressen’ negatief klinkt, straalt het ook een dedain uit. Alsof secretaresse zijn in deze tijd minderwaardig is en zij de behoefte moet hebben om ‘iets’ te veranderen. Best. Als zij wil veranderen kan zij gewoon ‘omscholen’ of ‘zich ontwikkelen’ op een ander vakgebied. Dat zijn hele normale, bestaande begrippen die ruimschoots voldoen.
Secretaresse is een duidelijk en gangbaar begrip, nu en in de toekomst. Welke taken en verantwoordelijkheden hierbij horen, kan in onderling overleg worden bepaald met de werkgever. De secretaresse kenmerkt zich door veelzijdigheid. Iemand die altijd al op zoek is naar nieuwe manieren van werken, die meegaat met nieuwe ontwikkelingen.
Degene die mocht denken dat de secretaresse nog immer met een blocnote stenografeert en met de typemachine lappen tekst uitwerkt, gebruikmakend van het welbekende potje Tippex, wil ik graag uit de droom helpen. Neen, de eigentijdse secretaresse werkt zowaar met een computer en weet feilloos haar weg te vinden binnen alle moderne communicatievormen. Laten we dan ook ophouden om haar in het verdomhoekje te plaatsen en (jonge) vrouwen met termen als ‘ontsecretaressen’ het idee te geven dat secretaresse een oubollige, niet meer passende functie zou zijn. Overigens is dit geen oordeel over het inhoudelijke aspect van de activiteit, het gaat me puur om de woordkeuze.
De titel bovenaan geeft aan dat er een vervolg komt op deze blog (ohh leuk!). Er zijn namelijk genoeg allergiewoorden om tegen het licht te houden. Misschien weet jij er één? Laat het mij weten. Alvast wat ideeën: http://www.springest.nl/artikelen/erger-je-gek-aan-de-hitlijst-van-irritante-modewoorden
Met deze blog wil ik een pleidooi houden voor het afschaffen van weermannen en -vrouwen na het tv-journaal. Ja, eigenlijk wil ik een petitie tegen deze stuntelende sprookjesvertellers. Hun toegevoegde waarde is nihil, net als die van de oproepsters destijds. Zo 1980!
Hoe beter je naar ze luistert, des te kinderachtiger wordt het weerbericht, met al die overdreven intonaties en verkleinwoorden. Vijfminutengekwebbel, dat is het. Tijdvulling. En dat begint al met de introductie van de zin ”Dat levert weer práchtige plaatjes op”. Ga heen! Ik zit niet te wachten op prachtige plaatjes. Ik wil gewoon snel en efficiënt horen of ik morgen tien minuten eerder moet opstaan om te krabben. Of ik de tuinkussens buiten kan laten liggen. Ik hoef de mening van de weerman niet te horen.
Een kleine bloemlezing (lees: hoge irritatiegraad)
“Ik probeer het op mijn gympies. Het is heerlijk op het strand. Je kunt prachtige foto’s nemen”. Het interesseert mij niet of de weerman met zijn gympies aan gaat wandelen. Noch hoeft hij mij mee te delen of het heerlijk is of niet. Dat bepaal ik zelf wel. En als ik geen fototoestel heb, waarom stelt hij dan voor dat ik prachtige foto’s ga nemen?
“Zie hier een windanimatie… dat is een computermodel”. En bedankt hè, weervrouw. Ik ben uit een ei komen kruipen en begrijp niet dat deze animatie door de computer is vervaardigd.
“Nou, we moeten even kijken hoe het gaat lopen”. Waarom sta je het weer te voorspellen als je aangeeft dat je het helemaal niet weet?
“Spanje, daar ga je heen als je in de zon wilt zitten”. Hallo weervrouw, ga jij mijn reis betalen? Ik zit niet voor mijn lol in de kou.
Sprookjestaal van onze weergoden
- Het is bérekoud. Wat een winderige boel. Een nat plaatje. Een buitje. Een wolkje hier en daar. Een béétje regen. Vriéndelijke stapelwolkjes. Een oranje zonnetje dadelijk in Nederland. Werkelijk fantáástisch.
- In het stadion van Kaapstad is het natuurlijk bloed- en bloedheet. En bloed- en bloedspannend. En wat het wéérrr gaat doen, dát is ook best spánnend!!
- (na 2 minuten geklets) We gaan hééél snel vooruit kijken.
- In Rusland is het erg koud. Zoo koud is het bij ons niet hoor.
- Bij ons geen beren, maar wel lieve lammetjes. Die zijn ook heel pluizig (mislukt bruggetje na nieuwsbericht).
Is dit volwassen achtuurjournalistiek?? Dan zie ik net zo lief deze weerman:
Uitspraak
Niemand zal de rrrrrollende r’s van Helga van Leur missen met haar “rregenbuien” en “onrrrustig weerrr”. Niemand zal de “windflagen” en “Frijdag wordt feel wind ferwacht” van Timofffeefff missen.
Einde
En dan dat einde. Ze doen het ALLEMAAL. Na alle aankondigingen van noodweer en naderende depressies, komt dat laatste zinnetje, het liefst zo vriendelijk en zwoel mogelijk: “Fijne avond”. Of, in het geval van Timofeeff: “Fijne afond”.
Dus ik zeg, weg met de weermannen en -vrouwen en vervang hen door mooie weeranimaties. Je weet wel … van die computermodellen.
Ôt moarn!

Het ziet er zo fraai uit. Een rokje en daaronder benen, omhuld door strakke, gladde nylonkousen. Maar dames die deze ondingen wel eens dragen, weten beter.
De ellende begint al bij de zoektocht naar de juiste kleur. Er zijn héél veel panty’s, van naturel tot coffee, maar ze zijn óf te flets, óf te goor óf te roodachtig of of of … De juiste kleur vind je NOOIT. En als je eindelijk de panty aantrekt, die goed van kleur lijkt, dan transformeert deze - eenmaal uitgerekt tot beenformaat - toch weer tot een te lichte kleur.
Et bien, je begint het elastische geval aan te trekken… kkkrrrr… De eerste kan meteen de prullenbak in, ladder. Bij de tweede kun je empirisch vaststellen dat je een klein haakje aan je nagel hebt zitten. Gelukkig geen ladder, maar wel de eerste haal. En weet dat deze panty één of twee dagen later alsnog sneuvelt op dit zwakke punt…kkkrrrr. Die kan ook linea recta naar de gemeentelijke afvalverbrandingsinstallaties. Wist je trouwens dat de warmte die in deze installaties vrijkomt, deels weer nuttig kan worden gebruikt om elektriciteit op te wekken? Na het verbranden van huisvuil blijven asresten en slakken over. Dit wordt deels gebruikt in onze wegen. Het kan dus zo maar zijn dat ik met mijn auto over mijn eigen panty’s heen rijd. Vreemd idee!
De maat van panty’s is ook zo’n ding. Als je je panty aantrekt en bijna bovenaan je been bent, kom je er ALTIJD achter dat je een stukje panty tekort komt. Je hijst het broekje tot aan je navel op, maar het kruis blijft ergens hangen tussen je knieën en je billen. En daar mag je het dan heel de dag mee doen
. Uit frustratie heb ik wel eens twee maten te groot gekocht. Dan is de lengte eindelijk goed, maar voel je steeds wat slobberen om je enkels
.
Na één keer wassen kan normaal gesproken de helft ook in de prullenbak, hoppa, weer € 5,00 door het putje. Al met al zijn die nylonkousen niet om te benijden. En de draagsters ervan al helemaal niet! Dat heet nou pantyleed!
Ik doe de laatste tijd schetsen maken om mijn tekenvaardigheid te verbeteren, vaak op een kladblok, zo even tussendoor. Deze krabbels hebben een naam: doedels. En hoe vertederd raak ik weer door dit prachtige woord. Een doedel, soms ook doodle genoemd, mag van mij het Woord van het Jaar 2012 worden.
Als ik google naar doodle krijg ik de volgende betekenis: Het is een vorm van schetsen, een tekening zonder duidelijk doel, gemaakt door iemand wiens gedachten ergens anders waren. Vaak eenvoudige tekeningen, die soms uitgroeien tot uitgebreide patronen. Vaak begint een doedel in de kantlijn van een schrift of blocnote, en ontwikkelt zich van daaruit over de pagina. Het werkwoord ligt voor de hand: doedelen. Ach, wie kent het niet?
Er bestaat een variant: een droedel. Een droedel is van origine een raadseltekening. Bij deze raadsels worden vaak alleen woorden gebruikt waarbij de onderlinge positie van belang is. Vier voorbeelden op rij:
De oplossing: ver-onder-stell-in-g ; sl-op-er ; g-rond-wet ; onder-af-deling. Leuk he?
Droedel is ontleend aan het Engelse droodle, een begrip dat in de jaren vijftig door een Amerikaan werd gevormd als samensmelting van doodle (krabbeltje) en riddle (raadsel).
Vandaag de dag wordt droedel ook wel gebruikt voor ‘een eenvoudige tekening’. Daarmee kan een droedel wel een doedel zijn, maar een doedel eigenlijk geen droedel. Volg je het nog of voel je je intussen een soort van doedelzak? Dit muziekinstrument heeft trouwens niets met doodle te maken. Doedelzak komt van het Duitse Dudelsack, wat op zijn beurt waarschijnlijk weer afstamt van het Turkse düdük, ofwel fluit.
Waarschijnlijk ben ik met mijn schetsen helemaal niet aan het doedelen, want ik heb duidelijk een doel voor ogen en mijn gedachten zijn niet ergens anders. Wat ik dan wel doe?? Droedelen misschien?
Doedelidoe!!!

Wat is taal toch leuk. Een questie… nee kwestie …. die soms zo inconsequent lijkt te zijn. Waarom toch accorderen versus akkoord? Re-integratie vs. reïncarnatie? Om nog maar niet te spreken van Het Groene Boekje vs. Het Witte Boekje. Het valt misschien wel mee als je de achtergronden van woorden kent, maar ja, wie kent deze nou allemaal?
Zo kwam ik laatst op de website van Onze Taal een goede uitleg tegen waarom wij ‘weifelen’ en ‘twijfelen’ moeten schrijven.
Weifelen is afgeleid van hetzelfde woord als wuiven en betekent oorspronkelijk ‘heen en weer bewegen’ en vandaar ‘aarzelen’ en ‘twijfelen’. De associatie met de vorm en betekenis van twijfelen heeft hierbij een rol gespeeld. Twijfelen (‘in tweestrijd verkeren’) heeft echter een heel andere etymologie: twij- heeft dezelfde oorsprong als twee. Door de gemeenschappelijke betekenis ‘besluiteloos zijn’ zijn de woorden weifelen en twijfelen met elkaar in verband gebracht, hetgeen aanleiding heeft gegeven tot de onjuiste spelling wijfelen.
Oké, mocht ik weer eens als een vertwijfeld wijf weifelen tussen de juiste schrijfwijze, dan ga ik eerst op zoek naar de etymologie van het woord, dat lijdt geen twijfel!
Dat de ziekte van Alzheimer een vreselijke ziekte is, hoef ik u vast niet te vertellen. En dat, als deze vorm van dementie een dierbare treft, het des te schrijnender wordt, behoeft ook geen betoog. Na mijn luchthartige blogs van afgelopen maanden, wil ik het jaar met enige vorm van bezinning afsluiten.
Wist u dat…
Alzheimer geen ouderdomsverschijnsel is, maar een hersenziekte met psychiatrische symptomen, die het gevolg zijn van fysiek verval van de hersenen? Het is een ziekte met verstrekkende gevolgen voor de patiënt en diens directe omgeving, ongeneeslijk en onomkeerbaar. Het meest bizarre - vind ik - is nog wel de persoonlijkheidsverandering.
Klein voorbeeld
Zo was ik laatst kastjes aan het opruimen van mijn dierbare familielid. Overal doken dopjes op. In het badkamerkastje, in de keukenlades, in de koelkast. Overal. Gele, oranje, blauwe… voornamelijk die van frisdrankpakken. Ook trof ik overal papiertjes aan, veelal opgevouwen. Servetjes, toiletpapier, keukenpapier gescheurd tot kleinere eenheden. En toen bedacht ik me “wat gaat er in godsnaam door iemand heen?”. Wat bezielt de Alzheimerpatiënt tot het verzamelen en zorgvuldig opbergen van honderden plastic dopjes? Enige vorm van logica lijkt te ontbreken. Een logica die mijn dierbare voorheen zo eigen was. Zijn de objecten willekeurig gekozen of zit er een diepere betekenis achter? Geeft het dopje houvast? Veiligheid, waarnaar zo sterk wordt verlangd?
Onderzoek hard nodig
Misschien dat het doorgronden van de doppenverzameldrang kan helpen bij het ontraadselen van de ziekte. Het ontrafelen van de ziekte van Alzheimer is hard nodig. Momenteel lijden er naar schatting 145.000 Nederlanders aan.
Aangezien de gemiddelde levensverwachting nog steeds stijgt, zal ook het aantal Alzheimerpatiënten in Nederland toenemen. Rond het jaar 2050 zal het aantal Alzheimerpatiënten de 300.000 zijn gepasseerd: dat is één op 57 Nederlanders, oftewel zo’n 2%. U en ik hebben dus een redelijke kans op kasten vol plastic dopjes.
Er vindt op uitgebreide schaal wetenschappelijk onderzoek plaats. Desondanks zijn de oorzaken ervan nog onbekend. Ook zijn er geen behandelmethoden voorhanden. Mocht u nog een goed doel zoeken om aan te do(p)neren, dan geeft deze blog wellicht een idee. Het hoeft niet altijd een groot bedrag te zijn, want zoals het spreekwoord in dit geval toepasselijk zegt… beter een half ei dan een lege dop!
Kerst is een periode van aandacht voor elkaar, van gezelligheid, sfeer en warmte. Echt, ik ben voorstander van de vrolijke kerstdagen tijdens de donkere dagen. Maar die ‘prekerstdagen’, nee, laat die maar aan mij voorbijgaan.
Zakelijke kerstkaarten besteld. De keuze was reuze maar uiteindelijk was er maar één kaart geschikt. Op de dag van aflevering werd ik gebeld. “Sorry mevrouw, er is iets misgegaan bij de drukker en de kaarten zijn mislukt.” Dan denk ik, hup, duw een nieuwe lichting kaarten door de pers. Maar nee, er waren geen kaarten meer. Althans, niet degene die ik wilde. Met moeite een andere uitgezocht in de verwachting dat ik voorrang zou krijgen. De enveloppen zouden in ieder geval direct naar mij worden opgestuurd. Konden we alvast etiketten plakken. Afijn, na 5 dagen, geen enveloppen, geen kaarten. Die komen nu pas vlak voor kerst (als het goed is…). @#$%&@
Kistjes met wijn besteld. Twee verschillende soorten: een pinot noir en een beaujolais. Verschillende prijsklasse. Ik kreeg de bestelling netjes op tijd binnen. Maar wat een ramp, de kistjes waren identiek en niet voorzien van een sticker. Ik had dus geen clou welke wijn in welk kistje zat. Wie bedenkt het? Dat werd een avondje klussen om 60 kistjes met beleid te openen en weer te sluiten met hetzelfde nietje. @#%@$@
Sculptuur besteld voor onze jaarlijkse ‘Medewerker van het Jaar’-verkiezing. Wij gebruiken al jaren hetzelfde beeldje, snelle actie, kost weinig tijd. Maar, oh jee, ik kreeg de volgende onheilspellende mail: ’Sorry mevrouw, we hebben dit beeld niet meer in ons assortiment.’ Oké, wat is er dan voor alternatief? Kon ze dit niet meteen aanbieden in het kader van klantgerichtheid? Een antwoordmail bleef uit. Ik heb nu een alternatief, maar of dat nog op tijd wordt geleverd… @#$%^@
Een kerstdiner georganiseerd. Gemaild dat de meeste gasten geen vis lusten en dat de amuses dus óf vlees óf vegetarisch moesten zijn. En wat kregen we? Een lekker zalmhapje @$@#$%@#%
Thuis snel de kerstboom opgetuigd. wat heet snel??? De kerstlampjes zaten wonderlijk genoeg weer als een kluwen in elkaar verstrengeld. En ik had ze vorig jaar nog wel zo zorgvuldig opgevouwen. Na de ontwarring hoopvol de stekker in het stopcontact gestoken. Niks. Geen lichtjes. @#$#%^%#
Dan maar kaarten geschreven en etiketten afgedrukt. Het zal de oplettende lezer inmiddels niet verbazen dat ook dit klusje niet geheel vlekkeloos is verlopen.
Wat zal ik blij zijn als het eenmaal kerst is. Wat zal dat een verlichting geven. Nu begrijp ik ook meteen waarom ze ‘kerstverlichting’ hebben uitgevonden!
Voordat de tuin onder een witte winterdeken verdwijnt, nog even nagenieten van alle natuurschoon van afgelopen jaar.
Vandaag de kou getrotseerd (lees: 3 °C) om mijn motor naar de winterstalling te rijden, 5 km buiten het dorp. Ik liep fluitend terug langs de landerijen en door de verschillende wijken in de bebouwde kom: Het Mos, Het Meer, Het Land. Onderweg zag ik een zwarte handschoen op een heg liggen. Die had iemand kennelijk verloren en een ander iemand had die kennelijk op de heg gelegd. Sympathiek. Thuisgekomen zag ik tot mijn schrik dat mijn ene motorhandschoen niet meer in de helm zat. Verloren!
Een uurtje later met de auto weer naar de stalling gereden en op de terugweg de berm afgezocht. Het grootste deel van mijn voettocht was echter niet met de auto te volgen. Ik reed het Meer in en parkeerde de auto. Liep een stuk dezelfde weg zoals ik eerder die dag had gedaan. Had namelijk het idee dat ik ergens in het Meer mijn zware tas en helm van arm had gewisseld.
Terwijl ik in de schemer voortspoedde, kwam ik weer langs de heg met de verloren handschoen. Haha, ja, maar dit is niet de mijne. Ik liep – eigenlijk zonder enige hoop – door. Maar wie schetst mijn verbazing toen ik een blok verderop iets op de heg zag liggen? Nou ja, het was mijn motorhandschoen!! Zelfs het horloge zat er nog omheen. Wat supersympathiek dat iemand die gevonden had en ook op de heg had neergelegd.
Goedgemutst – of beter ‘goedgehandschoend’ – liep ik terug naar de auto en passeerde een moeder met kindje. In het voorbijgaan hoorde ik de moeder tegen het jongetje zeggen: “We gaan wel even op school kijken of je handschoenen daar liggen.” Huhh? Ik begon hardop te lachen. Nog Meer handschoenen kwijt? Dit is onbetwist de Wijk van Verloren Handschoenen!
Ik wou dat die overgang over was. Wat is het nut van een gang die nergens over gaat? Kan ik het niet gewoon overslaan? Zou de overgang überhaupt overgaan?
‘s Nachts badend in het zweet wakker worden. Mijn bed een bad. Zo veel vocht verliezen, dat ik bijna in mijn matras verzuip. Gelukkig heb ik inmiddels in de loop der tijd wat zwembandjes gecreëerd (nu snap ik waarom), waardoor ik kan blijven drijven. En dat is echt niet overdreven. Ik klots met mijn overgang over de gang naar de badkamer. Water!
Gisteren nog. Een paar uur wezen winkelen. Na een pittige wandeling geslaagd voor cadeaus. En terwijl ik met vier grote dozen in de rij stond te wachten, voelde ik achter op mijn rug, over mijn ruggengraat … langzaam … heel langzaam … een grote zweetdruppel glijden, door het geultje de zwaartekracht achterna. Ik leek wel een waterjuffer die haar boodschappen aan de kassa stond af te rekenen ‘splash splash’. Voortaan doe ik geen boodschappen, maar waterschappen. Zo erg was het, echt.
Dus ik zeg: Opvliegers? Vlieg op!!
Onlangs plaatste ik een opmerking over een potloodventer en terwijl ik mijn tekst terug las, vond ik het woord ‘potloodventer’ steeds vreemder. Ging zelfs twijfelen aan dit exhibitionistische woord en ging eens even googelen.
Ja hoor, een ‘potloodventer’ is de meer bekende naam voor een man die onverwacht en vooral ongevraagd zijn naakte geslachtsdelen bloot toont aan mensen die voorbijkomen.
Nu vind ik het een nog vreemder woord. In het Engels of Duits is het logisch ‘the flasher’ of ‘Der Exhibitionist’. Waarom gebruiken wij een potlood om ’s mans edele delen aan te duiden? Je kunt er wellicht mee swaffelen, maar toch zeker niet mee schrijven. Lijkt een piemel dan zo op een potlood? Heb ik te weinig biologieles of zo gevolgd?
En waarom een venter? Dat is een koopman of een colporteur. Maar de jongeheer tonende heer is mijn inziens niet van plan om ook maar iets te verkopen. Sterker nog, je krijgt zijn hele handeltje gratis en voor niets. Een live show pro deo of voor wie het dan ook te zien krijgt.
Een potloodventer heeft eigenlijk iets liefs. Zoiets van een jongetje dat met Koninginnedag zijn half weggeslepen potlodensetje wil verkopen. Ach, over een paar jaar weten we helemaal niet meer wat potloden zijn. Moeten we gaan oppassen voor de i-podventer. Nee, dát is pas een raar woord! (tegen die tijd nieuwe overpeinzingen)
























